Uitspraak van de maand januari
Dit keer bespreken we in de rubriek 'Uitspraak van de maand' twee recente tuchtzaken die gaan over de diagnose. Bij deze klachten kijkt het regionaal tuchtcollege onder meer naar de zorgvuldigheid bij het stellen van de diagnose, de vakinhoudelijke normen en de communicatie met de cliënt. Het tuchtcollege kan sancties opleggen als er sprake is van verwijtbaar gedrag. In de onderstaande twee voorbeelden was hiervan geen sprake.
Tuchtzaak 1
Situatie
De klager, geboren in 1989, heeft sinds zijn 21e last van onder andere somberheidsklachten, piekeren en onzekerheid in groepen. Sinds 2015 zijn zijn klachten verergerd. De psychotherapeut, tevens gz-psycholoog, behandelde onder meer op basis van de diagnose persoonlijkheidsproblematiek. Na verwijzing naar een andere behandelaar in het ziekenhuis is gebleken dat er sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS). Klager neemt het de psychotherapeut kwalijk dat hij niet eerder de juiste diagnose heeft gesteld. Daardoor heeft hij gedurende drieënhalf jaar niet een passende behandeling gekregen.
Overwegingen en oordeel tuchtcollege
Uit delen uit de rapportages blijkt volgens klager dat de signalen van ASS al vanaf de intake kenbaar waren. Die gevolgtrekking deelt het college niet. Er was weliswaar van meet af aan sprake van kenmerken die bij ASS horen, zoals overprikkeling en problemen met interactie, maar die kenmerken kunnen ook voorkomen bij persoonlijkheidsproblematiek. ASS een lastig te stellen diagnose, onder andere vanwege de kenmerken die ook bij andere stoornissen voorkomen.
Het college weegt mee dat de psychotherapeut zorgvuldig te werk is gegaan bij het stellen van zijn diagnose. Zo heeft hij de intake van klager ter toetsing voorgelegd aan zijn intervisiegroep psychotherapie. De zorgvuldigheid van de psychotherapeut blijkt ook uit zijn voorstel aan klager om een vertrouwenspersoon aan te wijzen en uit de afstemming die hij meermaals heeft gezocht met de huisarts van klager.
Na afloop van de behandeling heeft een andere behandelaar een andere diagnose vastgesteld. Het missen van een diagnose is echter niet noodzakelijkerwijs tuchtrechtelijk verwijtbaar en het niet stellen van de diagnose ASS kan de psychotherapeut niet worden verweten. Er is veel overlap in de kenmerken van ASS en de kenmerken van persoonlijkheidsproblematiek en het onderscheid is doorgaans dan ook moeilijk te maken. Dat de kenmerken van ASS gemist kunnen worden, blijkt wel uit het gegeven dat ook de huisarts en de psychiater die in 2019 klager heeft onderzocht, geen vraagtekens hebben gezet bij de diagnose persoonlijkheidsproblematiek. De behandelaar uit het ziekenhuis zette aanvankelijk ook geen vraagtekens bij die diagnose. Pas toen klager ontregelde in een intensieve groepsbehandeling werd gedacht aan de mogelijkheid van ASS.
De psychotherapeut heeft klager vanuit de door hem gestelde diagnose behandeld. Het enkele gegeven dat naderhand (na een ontregeling toen klager in een groep werd behandeld) een andere diagnose is gesteld, is onvoldoende grond om te concluderen dat de psychotherapeut niet als een redelijk bekwame psychotherapeut heeft gehandeld. Dat neemt overigens niet weg dat het college goed kan begrijpen hoe gefrustreerd en geëmotioneerd klager zich voelt over het gegeven dat hij jarenlang niet de juiste behandeling heeft gekregen omdat destijds niet de diagnose ASS was gesteld.
- Uitspraak en maatregel: Het college is van oordeel dat de psychotherapeut niet kan worden verweten dat hij klager onjuist heeft behandeld en dat de psychotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege (RTG) is van oordeel dat de psychotherapeut bij zijn diagnosestelling is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en verklaart de klacht met betrekking tot alle klachtonderdelen ongegrond.
- Datum uitspraak: 31-12-2024
- Lees hier de volledige uitspraak
Tuchtzaak 2
Situatie
Klaagster is in behandeling gekomen op een polikliniek voor depressies. Haar regiebehandelaar was de psychotherapeut, tevens klinisch psycholoog. Na de intakegesprekken is een behandelplan opgesteld waarin de diagnose ‘depressieve stoornis’ werd vermeld, en onder complexiteit ‘ernstig complex’. Klaagster had op dat moment suïcidale gedachten en een sombere stemming.
Vervolgens is gestart met het zogeheten CGt+ programma, het meest intensieve programma van de polikliniek dat bestaat uit vier tot zes maanden twee therapiedagen per week. Daarnaast werd zij ingesteld op medicatie. De behandeling van klaagster hielp niet goed en geleidelijk ontstond bij de behandelaren de overtuiging dat de problematiek van klaagster niet kan worden gekenmerkt door een depressie, maar (toch) eerder als een borderline persoonlijkheidsstoornis.
Klaagster kan zich niet vinden in de manier waarop de psychotherapeut de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld. Ook vindt zij dat de psychotherapeut de behandeling op onzorgvuldige wijze heeft beëindigd en dat hij haar op onzorgvuldige wijze heeft doorverwezen voor schematherapie.
Overwegingen en oordeel tuchtcollege
Gelet op het eerste klachtonderdeel en de voor de psychotherapeut geldende norm, stelt het college dat van een psychotherapeut mag worden verwacht dat hij zich inspant om tot een goede werkdiagnose te komen op basis waarvan de behandeling wordt ingesteld. Anders dan klaagster, vindt het college niet dat diagnose voor een borderline persoonlijkheidsstoornis (te) lichtvaardig is gesteld. Het college kan uit het medisch dossier, het verweer van de psychotherapeut, en zijn toelichting ter zitting opmaken dat aan deze werkdiagnose een periode is voorafgegaan van veelvuldig multidisciplinair overleg, van een lange periode klinische observatie, en van gesprekken met familie van klaagster. Het college kan daaruit ook opmaken dat verbetering in de situatie van klaagster duidelijk afwezig was – er was eerder een verslechtering waarneembaar die zich zich uitende in pogingen tot suïcide – terwijl zij werd behandeld onder de diagnose ‘depressieve stoornis’. Dat er aldus ook daadwerkelijk reden was tot bijstelling van de diagnose, acht het college navolgbaar.
- Uitspraak en maatregel: Het Regionaal Tuchtcollege (RTG) verklaart de klacht met betrekking tot alle klachtonderdelen ongegrond.
- Datum uitspraak: 31-12-2024
- Lees hier de volledige uitspraak
Over de rubriek
In 'de uitspraak van de maand' geven we een korte samenvatting van een tuchtzaak die recent of soms al wat langer geleden door het tuchtcollege is behandeld. De uitspraken kunnen een voorbeeldfunctie hebben en dienen als leidraad voor beroepsmatig handelen in situaties die vaker voorkomen. U kunt de zaken gebruiken bij intervisie of zelf uw kennis van beroepsethiek op een bepaald gebied vergroten.
-
Alle uitspraken zijn terug te vinden op onze website en alleen zichtbaar voor leden na inloggen op de ledennet.
-
De Beroepscode voor psychotherapeuten (2018) (pdf) is een onmisbare leidraad voor het beroepsmatig handelen van iedere psychotherapeut. Door aanpassingen in wet- en regelgeving hebben we enkele wijzigingen Beroepscode (pdf) op een een rij gezet